Xinjiang

Dominicus

 

Met dank aan Dominicus en Inge Jansen voor de teksten bij de provincies.
Dominicus reisgidsen staan voor kwaliteit, betrouwbaarheid en een nieuwsgierige blik op de wereld. Een samenwerking tussen Discover China en Dominicus ligt dan ook voor de hand: onze organisaties hebben eenzelfde doel voor ogen, mensen op een prettige manier kennis laten maken met een voor hen misschien onbekend land. De nieuwe website van Discover China vormt een uitstekend uitgangspunt voor een onvergetelijke bezoek naar China, na een blik op deze site is je reis eigenlijk al begonnen...

Meer lezen uit de Dominicus China? Bestel deze gids hier

Xinjiang

De grenzen van Xinjiang reiken tot Tibet, Qinghai, Gansu, Mongolie, Kazakhstan, Kirghizstan, Uzbekistan, Tadzhikistan, Afghanistan, Pakistan en India. De oude Zijde Route loopt door deze provincie en biedt fascinerende etnische religie, geschiedenis en kleurrijke tradities. Deze provincie wordt omgeven door woestijn, bergen, heldere meren en graslanden.

De bevolking (ruim 14 miljoen) van het autonome gebied in Xinjiang Uighur, in het uiterste noordwesten van China, bestaat voornamelijk uit Uighuren (45 procent, ca. 6 miljoen). Zij leven vooral in de oasen in het zuiden van Xinjiang, aan de rand van de woestijn, in de oude handelssteden aan de Zijderoute Kashgar, Yarkant, Hotan en Aksu. Opvallend is het aantal Han-Chinezen. Zij zijn hier vooral na 1965 gekomen door de kolonisatiepolitiek van de Chinese overheid. Het overige deel van de bevolking wordt grotendeels gevormd door Turkstalige islamitische minderheden die het gebied sinds eeuwen bevolken. Verder zijn er nog groepen Kirgiezen, Oezbeken, Tartaren en Hui. De Tadzjieken rond Tax­korgan spreken een aan het Perzisch verwante taal.

Ten slotte zijn er nog de Kazakken, die over het algemeen een nomadenbestaan leiden en met hun kamelen en joerten (nomadententen) rondtrekken. Zij verblijven in de noordelijke vlakte van Xinjiang die een natuurlijke eenheid vormt met de Russische republiek Kazachstan aan de andere kant van de grens.

Het noordelijke gedeelte van Xinjiang wordt van het zuidelijke gedeelte gescheiden door het Tiangebergte en de verlaten Taklamakan-woestijn.

Het zuiden van Xinjiang bestaat uit woes­tijn, het noorden uit uitgestrekte steppen. De zuidgrens wordt gevormd door het Kunlungebergte, in het westen overgaande in het Himalaya- en het Pamirgebergte die tot de hoogste bergketens ter wereld behoren.

Xinjiang is rijk aan natuurlijke bodemschatten: olie, ijzer, steenkool, koper, jade, zilver en goud. In de oasen worden tarwe, maïs, rijst, katoen, tabak, watermeloenen en druiven verbouwd.


Geschiedenis
De oorsprong van de beschaving in dit gebied is afkomstig van Turkse nomadenvolken, die hier vanuit het huidige Buiten-Mongolië veroveringstochten uitvoerden.

In ongeveer 550 n.Chr. werd in Mongolië het nomadenrijk van de Turk gevormd, vermoedelijk genoemd naar de stamleider. Binnen dit rijk arriveerde rond 700 de stamgroep Uighuren die in 745 een nieuw rijk stichtte. In 845 werden zij verdreven door de Kirgiezen. Een groot gedeelte van de Uighuren week uit naar Xinjiang en Gansu, waar zij zich als boeren en handelaren vestigden in de plaatsen langs de Zijderoute.

In Xinjiang stichtten de Uighuren een koninkrijk met als hoofdstad Gaochang, dicht bij het huidige Turfan, dat bleef bestaan van 850 tot 1250 en een tijd van grote bloei kende.

In de 11de eeuw bekeerden verscheidene Turkse leiders zich tot de islam, hetgeen het tijdperk van de islamisering van Turkistan (nu Xinjiang) inluidde. In de 13de eeuw veroverde de Mongoolse leider Djenghiz Khan het Uighurenrijk en vernietigde Gaochang.

In 1759 werd het huidige Xinjiang definitief door de Qing-dynastie veroverd, hoofdzakelijk als voorzorg tegen de naderende Russen die al 100 jaar bezig waren hun controle in Centraal-Azië uit te breiden. Toch moest China later een deel van Xinjiang aan de Russen prijsgeven. Rusland kreeg na de val van de Qing-­dynastie tijdelijk grote politieke en economische invloed in Xinjiang. In 1955 werd Xinjiang Uighur officieel een autonoom gebied.


Hoofdstad Ürümqi
Ürümqi (Fraaie Weidegrond) ligt op ca.
900 m hoogte in een oase te midden van kale woestijnen, aan de voet van het machtige Tiangebergte. In de zomer is het er droog en heet, in de winter koud en winderig.

Reeds 2000 jaar geleden werd het gebied rond Ürümqi bewoond door verschillende volkeren, die een nomadisch bestaan leidden. Gezien het strategisch belang van dit gebied, zijn hier altijd Chinese garnizoenen gelegerd geweest. Ürümqi zelf ontstond als stad in 1765. Sinds 1883 is het de hoofdstad van het autonome gebied Xinjiang Uighur.

Tegenwoordig heeft de stad ongeveer 1 miljoen inwoners, waarvan het merendeel Han-Chinees is, die hier vaak overigens gedwongen zijn komen wonen in het kader van de migratiepolitiek. Verder wonen er Uighuren, Mongolen, Kazakken en Kirgiezen. De bevolking is overwegend moslim. Dit is vooral zichtbaar aan de talrijke moskeeën en de vrouwen, die een hoofddoek dragen. Sommige vrouwen zijn zelfs van top tot teen gesluierd en een enkeling draagt daarbij nog een donkere zonnebril.

Ürümqi is zover in westelijke richting van Beijing verwijderd dat het in een andere tijdzone ligt. Het is er eigenlijk een uur vroeger. Officieel wordt echter in geheel China Beijing-tijd aangehouden. In Ürümqi zelf houdt de lokale bevolking over het algemeen de zogeheten Xinjiang-tijd aan. Winkels, banken en postkantoren gaan vaak later open dan elders in China en sluiten ook vaak later. Soms leidt het aanhouden van deze twee verschillende tijden tot misverstanden, bijvoorbeeld wanneer het gaat om vertrektijden van bussen. Het is verstandig altijd goed te checken of een tijd in Bei­jing-tijd is aangegeven, dan wel in lokale tijd.

Ürümqi is niet bepaald een mooie stad. Er is weinig groen en veel grauwe bebouwing. De grote aantallen auto’s zorgen voor flinke luchtvervuiling. Toch heeft de stad ook haar aantrekkelijke gedeelten, bijvoorbeeld bij de levendige Erdao­qiao-bazaar of ’s avonds, wanneer het gebied rond de Zhongshan Lu en de Hongqi Lu in één groot straatrestaurant verandert met veel moslim-eten: shish kebab, noedels, pilaf met rozijnen en abrikozen en nan (grote platte broden) zijn dan overal te koop.

Bezienswaardigheden in Urumqi
Interessant in Ürümqi zijn de wijken van de Uighuren en Hui met markten, een overdekte bazaar, moslimrestaurantjes en verspreid over de stad meer dan
100 moskeeën. Op de Erdaoqiao-markt, een overdekte bazaar, worden geborduurde mutsen, muziekinstrumenten, bont- en lederproducten, specerijen en vooral heel veel meloenen en druiven te koop aangeboden. Deze markt sluit om een uur of negen ’s avonds. Verder is de Xinhua Lu een belangrijke winkelstraat met moderne warenhuizen. Langs de Jiefang Lu liggen oudere winkeltjes, met aan de zuidkant een echte Uighur-atmosfeer. Het treinstation en intercitybusstation liggen in het zuidwesten van de stad, de belangrijkste toeristenhotels en een aantal musea in het noorden.

Provinciaal museum
Het Provinciaal museum ligt aan de Xibei Lu, in het noordwesten van de stad. Het toegangskaartje geeft toegang tot drie tentoonstellingen. Allereerst zijn er vondsten die zijn opgegraven langs de Zijderoute, in chronologische volgorde. Van prehistorie tot moderne tijd: stenen gereedschappen en aardewerk uit het neolithische tijdperk, bronzen, jade, zijde, schilderingen en munten, waaronder zilveren uit Perzië en gouden uit het Romeinse Rijk. De verzameling is prachtig, maar helaas alleen voorzien van Chinees en Arabisch commentaar. Bovendien zijn de zalen erg slecht verlicht.

Ten tweede zijn er indrukwekkende mummies die gevonden zijn bij de zuidelijke grens van het Tarimbekken. Het gaat hier om een Europees ras dat meer dan 3800 jaar geleden in deze streek leefde. Door het droge klimaat zijn de lichamen gemummificeerd. Sommigen liggen nog in de kleding waar ze in zijn begraven, anderen zijn naakt. Ook is er een mummie van een kleine baby, zijn oogjes afgedekt met kleine steentjes. Verder zijn er grafvoorwerpen. Deze tentoonstelling is wel voorzien van Engelstalige uitleg.

De derde expositie geeft een beeld van klederdracht, muziekinstrumenten en leefgewoonten van alle minderheden van Xinjiang, waaronder Kazakken, Mongolen, Daur en Tadzjieken. Verder is er een Kazakkennederzetting nagebouwd, compleet met gemeubileerde joerten en opgezet vee. Bij deze tentoonstelling is geen Engelse uitleg.

Hongshan-park
Aan de oostelijke oever van de Ürümqi ligt de
910 m hoge heuvel Hongshan. Bovenop staat de Rode-Heuvelpagode van negen verdiepingen, gesticht tijdens de Tang-dynastie, toen de heuvel een boeddhistisch centrum was. Oorspronkelijk stonden er nog meer tempels op de heuvel, maar deze werden allemaal verwoest aan het begin van de 20ste eeuw. De huidige gebouwen zijn in 1788 voltooid. U kunt de pagode beklimmen. Hiervoor moet apart worden betaald.

Hemelse Meer (tia-n chí)
Dit meer wordt wel Klein Zwitserland genoemd. Het ligt op
1910 m hoogte, halverwege de besneeuwde Bogda-piek (Berg van God, 5445 m), is 100 m diep en heeft een oppervlakte van 3 km2. In de verte liggen de met sneeuw bedekte pieken van de Tianbergketen. Het Hemelse Meer is vanuit Ürümqi makkelijk te bereiken. De weg van Ürümqi naar het Hemelse Meer gaat eerst door een groot industriegebied en later door meer landelijk gebied waar meloenen, zonnebloemen en maïs groeien. Daarna gaat de weg de bergen in, waar na enige tijd al de eerste joerten en Kazakken te paard te zien zijn.

Bij de toegang van het Hemelse Meer stopt de bus en moet u eerst entree betalen. De plaatselijke bevolking (Kazakken) staat meestal al klaar om de bezoekers te strikken voor een rit te paard (ritten van 10 uur naar de sneeuwgrens of kortere ritten van een paar uur) of voor een overnachting in een joerte. Om het meer te bereiken moet u eerst nog een stuk lopen. Vooral aan het begin van het meer is het erg druk. Er worden bootjes verhuurd, er kan een korte tocht worden gemaakt op vaak overvolle boten en er zijn veel restaurantjes. De meeste Chinese toeristen komen niet veel verder dan dit punt, maar het is de moeite waard de drukte te ontvluchten en verder langs het meer te lopen. Het is dan overigens beter om zoveel mogelijk de iets hoger gelegen ‘ruiterpaden’ te volgen. Deze paden geven schitterende vergezichten over het meer en bovendien wordt zo vermeden dat u halsbrekende toeren moet uithalen, aangezien de paden vlak langs het meer wel eens plotseling ophouden.

Wie voldoende tijd heeft, moet beslist overwegen in een joerte te overnachten. Aan het begin van het meer staat een groot aantal joerten, speciaal voor toeristen en voorzien van elektriciteit en soms zelfs een douche. Veel authentieker zijn echter de joerten die verderop in inhammen langs het meer staan. Die zijn heel primitief: zonder toiletten en wasgelegenheid. Het eten, dat wordt klaargemaakt in een pan boven een groot vuur, is karig: in de ochtend en in de middag hard brood met vet en suiker en in de avond wat rijst met groenten. Maar het uitzicht over het meer en de rust vergoeden veel. Het is overigens verstandig wat proviand mee te nemen, evenals voldoende water, regenkleding en een warme trui, want het meer ligt 1000 m hoger dan Ürümqi, en het kan er flink koud zijn.


Turfan
Turfan, een oase van
50.000 km2 (180.000 inwoners, waarvan 125.000 Uighuren, 42.000 Han-Chinezen en 13.000 Hui), was al 2000 jaar geleden een belangrijke pleisterplaats aan de Zijderoute.

De stad ligt aan de voet van de Vlammende Bergen, 200 km ten zuiden van Ürümqi, in de Turfan Depressie. Het laagste punt van de Depressie ligt 154 m onder het zeeniveau en is daarmee een van de laagstgelegen gebieden op aarde. Dit gebied staat bekend als ‘de oven van China’. In de zomer komen de temperaturen tot boven de 40 °C (gemiddeld 33 °C). Bovendien kan het in de zomer erg hard waaien. De wind wakkert soms aan tot een storm van windkracht 9. In de winter kan het daarentegen flink koud worden, tot –17 °C. Zomer en winter hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat het bijna nooit regent.

Ondanks de geringe regenval kan de bevolking van Turfan overleven dankzij een uitgebreid net van ondergrondse kanalen die worden gevuld met behulp van gesmolten sneeuwwater van het dichtbij gelegen Tiangebergte. Langs kilometers­lange ondergrondse kanalen (karez) zijn op bepaalde afstanden van elkaar 60 m diepe waterputten gemaakt waaruit het water omhooggepompt wordt en in grote tankwagens naar de woongebieden gebracht, of bovengronds verder geleid voor irrigatie van de oase. Dit systeem is al 2000 jaar lang in gebruik.

In de vruchtbare oase worden druiven (de specialiteit van Turfan), meloenen en abrikozen geteeld en katoen verbouwd.

De druiven worden gedroogd tot krenten in lemen huizen waar heel veel openingen in zijn gemaakt. Deze huizen zijn overal in de omgeving te zien.

Bezienswaardigheden in Turfan
Turfan is geen grote, maar wel een heel exotische stad. De bevolking is overwegend Uighurs. Zij spreken Arabisch en zien er ook niet Chinees uit. Veel vrouwen dragen een hoofddoek. Er zijn verscheidene moskeeën. Vooral het oude gedeelte van de stad is leuk: de meeste straten worden hier omzoomd door bomen en druivenranken. Langs de straten lopen kanaaltjes water. Op de binnenplaatsen van de ommuurde lemen huizen worden druiven gedroogd.

Het centrum is klein, met wat winkels, moskeeën, een markt, een museum en het intercitybusstation. De meeste bezienswaardigheden liggen buiten de stad.

Bazaar
Sinds
1978 wordt er weer een bruisende vrije markt in Turfan gehouden, waar velen in hun ezelkarren naar toe komen. Deze karren doen ook dienst als plaatselijke taxi’s. Er wordt van alles verkocht: tapijten, messen, kleding, groenten, druiven, meloenen, krenten enzovoort.

Museum
Dit museum aan de Gaochang Lu heeft een kleine collectie van opgravingen rondom Turfan, waaronder speelgoed uit de
4de en 5de eeuw, gevonden in de ruïnes van Gaochang. Ook zijn hier mummies te zien gedateerd uit de 8ste eeuw.

Emin-minaret
Ongeveer
3 km ten zuidoosten van het centrum ligt deze 37 m hoge lemen minaret in Afghaanse stijl. De minaret behoort tot de Sugong-Ta-moskee en heeft prachtige ontwerpen van steensnijwerk. Hij werd in 1779 gebouwd, in opdracht van de toenmalige Khan van het koninkrijk Turfan, Suleiman Hoja, die hem wijdde aan diens vader, Amin Hoja. De minaret is te beklimmen. De deur moet daarvoor worden opengedaan door de bewaker die in het witte gebouwtje naast de moskee woon

Karez-irrigatiesysteem
Ondergrondse kanalen (
karez) worden gevoed met smeltwater uit het Tian­shan-gebergte. Dit irrigatiesysteem kan hier worden bekeken. Het is een kleine kermis te midden van een grote wijngaard.

Jiaohe
Ongeveer
10 km ten westen van Turfan liggen de ruïnes van Jiaohe (Yarkhoto in het Uighurs). De citadel (1,6 bij 3 km) werd gebouwd in de 2de eeuw v.Chr. en was gedurende eeuwen een belangrijk politiek, militair en commercieel centrum. Vooral gedurende de Tang-dynastie was de stad bijzonder welvarend. Na de 9de eeuw nam het belang van de stad af. Gedurende de Yuan-dynastie teisterden oorlogen het gebied en werd Jiaohe uiteindelijk verwoest door twee grote branden.

Er waren drie poorten: oost, west en zuid. Tegenwoordig komen de bezoekers binnen via de zuidpoort. Dwars door de stad loopt een hoofdstraat, waar aan weerszijden de ruïnes liggen van vastomlijnde straten, huizen en werkplaatsen. Aan het einde van de hoofdstraat liggen de resten van een groot klooster, waar nog boeddhabeelden zichtbaar zijn. Verder noordelijk liggen de ruïnes van twee kleinere kloosters, een aantal pagodes en een begraafplaats. De stad ligt hoog op een rots en wordt omgeven door twee rivieren. Er zijn ongeveer 300 waterputten ontdekt waaruit de bewoners hun water haalden. In de noordwestelijke hoek hebben archeologen in een ondergrondse tempel fresco’s, Chinese documenten en oude Tibetaanse inscripties gevonden.

Gaochang
Zo’n
46 km ten zuidoosten van Turfan liggen de ruïnes van de vroegere stad Gao­chang (Kharak Hoja in het ­Uighurs). Deze oude garnizoensstad uit de Han-dynastie en voormalige hoofdstad van de Uighuren was een belangrijke pleisterplaats op de zijderoute.

Gaochang is gebouwd van stenen en leem en is de grootste (2 km2) van de ‘verloren steden’ langs de Zijderoute. In de bloeitijd, tijdens de Tang-dynastie, woonden er 30.000 mensen. Voordat het gebied in de 8ste eeuw tot de islam werd bekeerd was het een van de belangrijkste boeddhistische centra in de regio.

Rondom de stad is een vierkante muur (omtrek 5 km) van aangestampte aarde. De stad bestond uit een binnenstad, een buitenstad en het koninklijk gedeelte. In het centrum van de binnenstad is nog een groot rond fort te zien, waarin zich het kasteel van de koning bevond. Rechts van het fort staan de resten van een rond gebouw, waar de beroemde Chinese monnik Xuan Zang, die na een pelgrimstocht naar India boeddhistische geschriften mee terugbracht, enige tijd verbleef. Het verhaal gaat dat de koning van Gaochang de monnik eerst niet wilde laten gaan. Pas na een hongerstaking van de monnik overlaadde hij hem met rijkdommen en liet hem uiteindelijk gaan. Ook Gaochang verviel in de 14de eeuw, mede door watergebrek.

De Duitse archeoloog en ontdekkingsreiziger Albert von Le Coq ontdekte rond 1900 veel verborgen schatten als oude documenten, munten, een levensgrote muurschildering en een complete bibliotheek.

(H)astana boeddhistische graftomben
Ten noordwesten van Gaochang liggen de graftomben van Gaochang, te herkennen aan grijze hoopjes aarde waar toegangstrappen schuin naar beneden lopen naar de tomben onder de grond. De graven dateren van
273 tot 772 en herbergen 500 mummies die met hun bezittingen werden begraven, waaronder 2100 documenten en boeken. Aurel Stein (B p. 174-175) ontdekte en opende de tomben in 1914. De grafobjecten die hij vond, staan tegenwoordig in het British Museum in Londen. Aan het begin van de jaren zeventig werden de tomben herontdekt en geopend. De toen gevonden grafobjecten als brokaat, borduurwerk en kleding worden in het museum van Turfan tentoongesteld. Er zijn slechts drie graftomben voor publiek opengesteld: van een generaal, van de familieleden van de generaal en van een man en een vrouw (met twee echte mummies). In de tomben zijn muurschilderingen te zien.

Vlammende bergen
Ten noorden van Gaochang liggen de Vlammende Bergen. Volgens de overlevering lijkt het of de paarsbruine bergen ’s zomers bij laagstaande zon in brand staan, vandaar de naam. De Vlammende Bergen zijn bij de Chinezen vooral bekend door de beroemde klassieke roman
Pelgrimstocht naar het Westen, waarin de monnik Xuan Zang en zijn gezelschap een zware reis door deze bergen moesten afleggen.

Grape Valley
Deze vallei doet zijn naam eer aan; overal groeien volop druiven. Naar goed Chinees gebruik is de vallei omheind en moet er entreegeld worden betaald om het gebied te betreden. Wat u ziet zijn lange lanen met druivenranken die verkoeling geven, wat stromend water en vooral veel verkoop van souvenirs. Voor de ingang zijn tal van eenvoudige eetgelegenheden, waar het in de schaduw van de druivenbladeren heerlijk genieten is van kebab, noedels, thee, druiven en
nan. De meeste georganiseerde tourtjes stoppen hier voor de lunch.

Bezeklik Duizend-Boeddhagrotten
Deze grotten,
45 km ten noordoosten van Turfan, zijn uitgehakt in een klif bij de groene Mutou-vallei. Ze bevatten overblijfselen van 83 boeddhistische grottempels uit de 6de tot de 13de eeuw, zoals fresco’s, en zijn gebouwd tijdens het hoogtepunt van de Tang-dynastie.

De meeste grottempels, op een hoogte van 80 m uit de rotswand gehouwen, zijn in slechte staat door vernietiging door moslims die in de 13de eeuw de islam naar dit gebied brachten. Om ze te beschermen tegen plunderende nomaden en fanatieke religieuze groepen, waren de grotten eeuwenlang dichtgemetseld.

Wederom waren het de ontdekkingsreizigers Albert von Le Cocq en later Sir Aurel Stein (B p. 174-175) die de grotten herontdekten. Zij namen beelden mee en zaagden zelfs nauwkeurig hele fresco’s uit de muren, waarmee zij de grotten grote schade aanbrachten. De vondsten van Stein staan nu in het National Museum in Delhi, die van Von Le Cocq stonden in het museum van Berlijn dat grotendeels vernietigd werd tijdens bombardementen op deze stad gedurende de Tweede Wereldoorlog.

In ongeveer 40 grotten zijn nog fresco’s min of meer bewaard gebleven. Hiervan zijn 4 tot 5 grotten te bezichtigen. De rest is gesloten. Enkele grotten laten vooral zien hoezeer er is geplunderd.


Korla
Korla (
150.000 inwoners) ligt ten zuiden van het Tiangebergte in de Tarimlaagvlakte. De Mongolen in dit gebied behoren tot de Torguten of Kalmuken die in de 17de eeuw vanuit Mongolië naar Rusland migreerden, maar een eeuw later naar Xinjiang Uighur trokken. De meeste bewoners werken in de zware indu­strie en voor de export van producten als peren, tomatenpuree en katoen.

De stad heeft weinig bezienswaardigs en wordt hoofdzakelijk gebruikt als overnachtingsplaats richting Kashgar of Turfan/ Ürümqi. Zeven kilometer ten noorden van de stad ligt tussen de bergen en de rivier de IJzeren-Poortpas (tievmén gua-n) die vroeger de enige bestaande route van Noord- naar Zuid-Xinjiang Uighur bewaakte. Tijdens de Culturele Revolutie werd de pas grotendeels vernield.

Kuqa
De oasestad Kuqa was in het verleden een belangrijk boeddhistisch centrum, totdat het door de islam werd overvleugeld. De plaats kwam rond
1890 in de belangstelling te staan toen de eerste Europese ontdekkingsreizigers, archeologen en schriftkundigen er, op weg naar andere plaatsen, verbleven. De stad telt nu ca. 350.000 inwoners, hoofdzakelijk Uighuren, en bestaat uit een oud en een nieuw gedeelte. In het oude gedeelte wordt elke vrijdag een markt gehouden, waar de bevolking van heinde en verre naartoe komt.

Ongeveer 73 km ten westen van Kuqa liggen de Kizil Duizend Boeddha-grotten (kèzi-’evr qia-nfódòng) waar boeddhistische muurschilderingen zijn te zien. De vroegste schilderingen dateren uit de 3de eeuw n.Chr. en zijn daarmee de oudste langs de Zijderoute. Aan het begin van de 20ste eeuw werden de grotten geplunderd door westerse en Japanse ontdekkingsreizigers, schatzoekers en archeologen. Een groot aantal grotten is niet toegankelijk voor publiek.

De Zijderoute voert verder via Aksu naar Kashgar door het dorre, bruingele woes­tijngebied van de Tarimlaagvlakte. De hete woestijnwind heeft er vrij spel en verschroeit alles. Tijdelijk vormen zich zandheuvels die in het verleden bij het wegstuiven hele karavanen en steden hebben bedolven en weggevaagd.

Khotan
Khotan (Hetian) is een van de belangrijkste steden uit de oudheid ten zuiden van de Taklamakan-woestijn die ten onder is gegaan. Eens was het een centrum voor zijde, jade en tapijten. In
1895 werden hier belangrijke manuscripten uit de vroegste tijden ontdekt. Het stadje heeft een klein museum met opgravingen uit de omgeving van Khotan en twee mummies. Op zondag wordt een grote markt gehouden. In de omgeving zijn opgravingen van oude steden, waaronder Yotkan (10 km ten westen van Khotan) en Melikawat (26 km ten zuiden van Khotan). De opgravingen werden gedaan door Sir Aurel Stein (B p. 174-175). Bij beide ruïnes is niet veel meer te zien.


Kashgar
Kashgar (Kashi), op
1289 m hoogte aan de voet van het Pamirgebergte aan de rand van de Taklamakan-woestijn, is de laatste belangrijke plaats vóór de grens met Pakistan. De oude karavaanstad, in 1983 voor toeristen opengesteld, is een van de interessantste steden aan de Zijderoute, met een echte oosterse atmos­feer: mannen met lange baarden en fez, markten, openluchtvoorstellingen, kamelen en ezelkarren, oude straatjes, bazaars en theehuizen.

Geschiedenis
In de geschiedenis van Kashgar speelt de strategische positie een belangrijke rol. De oude stad werd in
76 v.Chr. door de Chinezen ingenomen. Tijdens de bloeiperiode van de Zijderoute was Kashgar een belangrijk bevoorradingspunt, handelspost en rustpunt voor handelaren, boeddhistische pelgrims en ontdekkingsreizigers, evenals een ontmoetingspunt van culturen. De eerste Uighuren arriveerden er in de 9de eeuw. Hun opvolgers bekeerden zich tot de islam en maakten Kashgar tijdelijk tot hun hoofdstad. In de 13de eeuw kwamen de troepen van de Mongoolse leider Djen­ghiz Chan. Eind 14de eeuw werden de stadsmuren door de Mongoolse keizer Timur (Tamerlan) vernietigd, maar aan het begin van de 16de eeuw herbouwd. In 1877 veroverden de Chinezen het gebied. Het verzet van de moslims maakte andere buitenlandse mogendheden belangstellend. In 1882 arriveerde een Russische consul in Kashgar, in 1890 gevolgd door een Engelse consul. Beide landen vestigden er daarna consulaten die bleven functioneren tot 1949.

In het begin van de jaren zestig werd de Chinees-Russische grens gesloten, maar later heropend. Met het openstellen (voor toeristen) van de Chinees-Pakistaanse grens in 1986, nam Kashgar weer in belang toe.

Bezineswaardigheden in Kashgar
Het interessantst is een wandeling door het oude centrum, ten noordwesten van de Id-Kahmoskee, dat door de eeuwen heen nauwelijks is veranderd. In de bazaars in de straatjes direct ten noorden van het Id-Kahplein is van alles te koop: tapijten uit Hotan, messen, met de hand gemaakte leren laarzen, geborduurde mutsjes (
tjubetejka’s), houten zadels, voorwerpen van koper en zilver enzovoort.

Zondagsmarkt
Een bezoek aan de zondagsmarkt, gehouden op een grote, stoffige vlakte aan de oever van de rivier, is een belevenis. Van heinde en verre komen hier duizenden handelaren met hun kamelen, paarden, ezels, schapen en geiten naar toe. Ook Pakistani, Oezbeken, Kirgiezen en Kazakken bezoeken deze markt.

Id-Kahmoskee
Van de ongeveer
150 moskeeën in China is deze 500 jaar oude moskee de grootste. Gebouwd in Afghaans-Pakistaanse stijl, geeft zij plaats aan zo’n 8000 gelovigen. Ook deze moskee was tijdens de Culturele Revolutie gesloten, maar werd aan het begin van de jaren tachtig gerestaureerd.

Abakh Hoja-Mausoleum
Tien kilometer ten oosten van Kashgar ligt het kleurrijke,
17de-eeuwse familiemausoleum van Abakh Hoja, politiek en religieus leider. De hoofdtombe bevat 72 grafplaatsen (de meeste versierd met mozaïektegels), volgens traditie de 72 afstammelingen van een islamitische geestelijke.

In het mausoleum bevindt zich eveneens het graf van de legendarische ‘geurende concubine’ Mamrisim (Xiang Fei). Deze concubine, behorend tot de plaatselijke Hoja-familie, weerstond de pogingen van de Chinese keizer Qianlong met haar te trouwen en moest daarvoor sterven. Vanuit Beijing werd haar lichaam naar Kashgar ontvoerd en in haar geboorteplaats begraven. Sindsdien geldt zij als het symbool van de tegenstand van de Uighuren ten opzichte van de Han-Chinezen. Een andere versie van dit verhaal luidt: in 1759 leidde Xiang Fei de Uighuren in een verloren opstand tegen keizer Qianlong en werd toen naar Beijing meegenomen. De moeder van de keizer, die het niet zinde dat de keizer verliefd op haar was, liet haar zelfmoord plegen.

Hanoi
Ongeveer
35 km ten oosten van Kashgar ligt de ruïnestad Hanoi die als plaats aan de Zijderoute vooral bloeide in de Tang- en Song-dynastieën. In de 11de eeuw raakte de stad in verval. De opvallendste overblijfselen zijn de Mor-pagode (of Mer-pagode) en de ruïne van een wachttoren.

Taxkorgan
Taxkorgan (‘Stenen Toren’,
5000 inwoners), op 3000 m hoogte, is een typische marktplaats en eeuwenoude vestiging aan de Zijderoute. De stad ligt op 134 km ten noorden van de ruim 5000 m hoge Khunjerabpas. Het is de enige plaats van enige omvang tussen Kashgar en Pakistan.

Taxkorgan is de hoofdstad van het autonome gewest van de Tadzjieken, een gebied van 25.000 km2, met een bevolking van 21.000 mensen (Uighuren, Kirgiezen, Oezbeken en Han-Chinezen), waarvan 18.000 Tadzjieken. De meeste ­Tadzjieken wonen aan de andere kant van de grens, in Tadzjikistan.

Het stadje heeft een 14de-eeuws fort en een kleine moskee.

 De reis van Kashgar naar Taxkorgan (200 km) gaat door schitterend berglandschap waar Tadzjieken kuddes jaks en kamelen hoeden en leven in joerten. Het is mogelijk om bij het Karakuri-meer, omringd door onder andere de sneeuwberg Kongur (7595 m) en de Muztag-ata (7546 m), in joerten te overnachten. Vóór Taxkorgan slingert de zwarte, geplaveide weg (in 1988 door de Chinezen voltooid) zich door het woes­tijnlandschap van de hoogvlakte. Langs de weg liggen enkele vestigingen met graven van de Tadzjieken.

Over de Karakorum Highway naar Pakistan
Op
1 mei 1986 is de grens tussen China en Pakistan voor toeristen opengesteld. Vier jaar eerder was de grens al open voor vrachtwagenkaravanen tussen Pakistan en China. De afstand tussen Tax­korgan en Pirali (grensplaats Chinese zijde) bedraagt 84 km. Door het stuk niemandsland (96 km) van Pirali tot Sust (grensplaats Pakistaanse zijde) rijdt een speciale bus via de Khunjerabpas (ruim 5000 m). De weg tussen Kashgar en Islamabad (Pakistan) is de Karakorum Highway (1200 km). De prachtige, maar niet ongevaarlijke route van Sust naar Islamabad loopt via het plaatsje Gulmit, vervolgens door de Hunzavallei (met de plaats Karimabad) naar Gilgit. Dit is een oud transit-handelscentrum waar nog tot in het midden van de 19de eeuw slaven werden verhandeld. Voortdurend zijn onderweg de ca. 8000 m hoge sneeuwbergen Rakaposhi (behorend tot het Karakorumgebergte) te zien en Nanga Parbat (behorend tot het Himalayagebergte). Verder gaat de route langs de Indus, door Beshám en via Abbottabad naar Islamabad/Rawalpindi.

Reizen door deze provincie